zondag 26 januari 2014

Het verhaal van een langzitter… Svenja (deel 10)

Het asiel waar ik als vrijwilliger werk heeft een anti-inslaapbeleid. Er worden dus geen dieren ingeslapen alleen omdat ze ‘te bang’ zijn of ‘te lang’ in het asiel zitten. Gelukkig maar. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat we altijd een aantal honden of katten hebben zitten die al heel lang op een warm thuis wachten. Zoals Svenja (onlangs geplaatst!), Diza (onlangs geplaatst!), Pino (gisteren geplaatst!!) en Bontje (onlangs geplaatst!). De vier katjes die al meer dan een jaar in het asiel wonen. Echt geen enorm vervelende exemplaren. Integendeel. Het zijn stuk voor stuk lieve katten. Alleen een tikje eigenzinnig misschien. ;-) Maar dat maakt ze naar mijn mening nou juist zo leuk. Waarom ze er dan al zo lang zitten? Geen idee. Echt niet. Gewoon domme pech denk ik soms wel eens. Dus misschien helpt het ze wel als ze zelf hun verhaal kunnen vertellen. Van de periode voor ze in het asiel terecht kwamen, weten we vrijwel niets. Dat deel is dan ook gebaseerd op redelijke aannames en een beetje fantasie. J
Het verhaal van Svenja is representatief voor het verhaal van zovele jonge moeders die tegen wil en dank buiten moeten zien te overleven... De meeste van hen begonnen hun leven als geliefde huiskat, maar zijn op enig moment - om wat voor reden dan ook - op straat beland. Niet gechipt en niet gesteriliseerd...

Het woord is aan Svenja

Svenja is een beeldschone lapjesdame. Ze op 13 augustus 2012 in het asiel terecht gekomen, samen met haar 5 kleintjes. Haar geboortedatum is geschat op 21 augustus 2009. Svenja vertelt zelf haar verhaal.



Ik lag op een van de plankjes die aan de muur hingen en keek de kamer rond. Alles was me inmiddels aardig vertrouwd. De grote krabpaal in de hoek met drie plekjes om te liggen en twee holletjes om je in te verstoppen. De mandjes op de grond, de dikke matras waar je je heerlijk op kon uitrekken, de plankjes aan de muur. Ook in de tuin wist ik precies waar je het beste kon schuilen voor de regen en op welk plekje je de hele dag in de zon kon liggen. Ik had zo’n beetje elk mandje dat daar stond uitgeprobeerd en ook de rare, overkapte kar had ik al vaker van binnen bekeken. Dat was overigens wel een hele fijne verstopplek! De verzorg-mevrouw had een paar keer heel lang moeten zoeken, voordat ze me daarin ontdekte. Dat had ik wel grappig gevonden, want ik hoorde haar steeds mijn naam roepen en ze was wel vier keer de hele tuin doorgelopen. En die is best groot hoor. Hihi. Ik kende ook al mijn kamergenoten. We waren nu nog met z’n tienen. Dat waren er veel meer geweest, volgens mij zaten er wel twintig andere katjes in de kamer toen ik er net kwam wonen. Dat was een maand of vier geleden. De tijd vloog. Ik vond mijn kamergenootjes wel aardig, maar was graag op mezelf. Dat respecteerden ze gelukkig. Bijna allemaal dan, op één of twee vervelende exemplaren na dan. Zoals Wielus, de jonge druktemaker. Jemig, wat had dat ventje een energie zeg. Hij was heel lief en ontzettend komisch, maar zoooo druk. En je wilde ook niet naast hem staan met eten. Pff, alles is voor Wielus, dat dacht meneer tenminste. Of Pino, nog zo’n wildebras. Spelen, spelen, spelen. Dat was het enige dat hij wilde en van het antwoord ‘nee’ had hij echt nog nooit gehoord. Het was een lieverd hoor en hij bedoelde het echt niet vervelend, maar hij was zooo vermoeiend. :-) Pino hebben ze gelukkig op een gegeven moment naar een andere kamer verhuisd. Ik denk dat daar meer speelkameraadjes voor hem zaten. Wij waren in elk geval blij. Voor hem en voor ons.

We hadden hier allemaal ons eigen verhaal, onze eigen geschiedenis. De meeste waren, net als ik, op een of andere manier de weg naar huis kwijt geraakt. Soms wel op een bijzondere manier. Arie was achter in een vrachtwagen gesprongen en in slaap gevallen. Toen hij uren later wakker werd en naar buiten glipte, bleek hij niet meer in zijn eigen straat te zijn, maar op een plek die hij helemaal niet kende. De vrachtwagen was gaan rijden en de sufferd had niks gemerkt. Kai had een paar weken per ongeluk opgesloten gezeten in een vreemde schuur. Hij had al die tijd moeten overleven op een paar muizen en de regen die door het dak naar binnen sijpelde. Toen de deur van de schuur eindelijk open werd gedaan, was hij zo verzwakt en in de war dat hij in paniek heel hard en heel ver was weggerend. En toen kon hij dus de weg naar huis niet meer vinden. Heel zielig. Er waren er ook een paar die door hun baasje zélf hier naartoe waren gebracht. Zoals Christa en Remi. Daar snapte ik dus helemaal niets van. Ze waren gewoon hier achtergelaten, hun baasje was nooit meer teruggekomen. Dat doe je toch niet? Maar het ergste verhaal vond ik dat van Nima en Roos. Daar was ik echt heel erg van geschrokken. Nu nog liepen de rillingen over mijn lijf als ik er aan dacht. Hun baasje had ze in de auto gezet en was gaan rijden. Eerst dachten ze nog dat ze weer naar de dokter moesten, want dan moesten ze ook altijd in zo’n mandje in de auto. Maar het was wel al heel donker en dat hadden ze toch wel een beetje raar gevonden. Na heel lang rijden, zeker twee uur zei Nima, was hun baasje gestopt, had de mandjes uit de auto gehaald, ze open gemaakt en hun eruit geschud – zo zei Nima het echt – was weer in de auto gesprongen en hard weggereden. Hij had ze zomaar daar achtergelaten! Midden in de nacht, in de regen, in de kou, in een omgeving die ze helemaal niet kenden, heel ver van huis. Pffff. Ongelofelijk toch? Dan dacht je dat je veilig was en een fijn thuis had… Nima en Roos hadden best lang op straat gezworven, tot ze uiteindelijk door een lieve meneer waren gevonden. Ze waren toen heel mager en heel ziek geweest. En nu woonden ze dus hier. Ze waren gelukkig wel weer beter geworden, maar bah, wat gebeurden er soms toch vreselijke dingen. En wat was ik toch naïef geweest. Toen ik vroeger thuis woonde had ik echt gedacht dat alle katten een huis hadden en gelukkig waren. Nou… inmiddels wist ik wel beter.

Svenja wist al snel de beste plekjes te vinden. :-)

‘Cezar gaat, Cezar gaat, Cezar gaat!’ hoorde ik Fievel – een hele lieve jongen met een halve staart - ineens roepen. Er waren het afgelopen kwartier een vreemde mevrouw en meneer in onze kamer geweest. Blijkbaar hadden ze hun keuze gemaakt. Cezar, de bofkont, mocht mee. Zijn kans op geluk. Een nieuw thuis. Ik gunde het hem. Hij was de zoveelste van mijn kamergenootjes die ik in de afgelopen maanden had zien vertrekken. Om een of andere reden werd ik nooit gekozen. Ik vond dat niet zo heel erg. Ik wachtte op het nieuws van de verzorg-mevrouw dat ook mijn laatste twee kleintjes, Blacky en Elvie, een thuis hadden gekregen. Net zoals de andere drie. Pas dan kon ik ook gaan, nu nog niet. Ik moest eerst weten dat mijn hummels allemaal veilig en gelukkig waren. Dus het mocht van mij nog wel even duren. Ik zuchtte. Ik had het hier helemaal niet slecht, maar stiekem verlangde ik toch wel naar een mandje voor mij alleen. Naar een beetje rust en privacy. Naar mijn eigen mensen, die echt van me hielden… Helemaal snappen deed ik het toch niet. Iedereen zei steeds tegen me dat ik zo mooi was en zo lief. Maar als dat echt zo was, waarom werd ik dan nooit gekozen? Ik had het er een tijdje terug al een keer met Mober over gehad. Die woonde hier al heel erg lang. ‘We zijn gewoon niet uitbundig genoeg Svenja’ had Mober gezegd. ‘Je moet meteen naar de vreemde mensen toe rennen. Voor hun voeten staan, zodra ze de deur door komen. Zoals Wielus, die doet dat heel goed. Je moet je altijd laten aaien en oppakken, ook al heb je daar eigenlijk geen zin in. En je moet zeker niet mopperen, zoals jij wel eens doet, als de mensen iets doen wat je niet wil. Ook al heb je ze al drie keer netjes gevraagd om te stoppen.’ Ja, misschien had Mober wel gelijk. Het waren inderdaad meestal de katjes die het hardste riepen en die zich voor de voeten van de vreemde mensen op de grond lieten vallen, die gekozen werden. Maar het zat gewoon niet in mijn aard. Dat uitbundige, dat opvallende, dat haantje-de-voorste-gedoe. Moest ik me dan echt anders voordoen dan ik was? Dan kwamen ze daar later toch wel achter, toch? En dan? Ik wist het ook niet meer. Ik was wie ik was. Ik had ook te veel meegemaakt in de tijd dat ik buiten had geleefd. Ik had te veel gezien. En ik had te veel verhalen gehoord. Mijn onbevangenheid naar mensen toe, mijn onvoorwaardelijke vertrouwen, was weg. Ik wist echt wel dat er ook hele lieve en goeie mensen waren hoor. Maar voor ik dat durfde te geloven, moest ik ze eerst wel echt heel goed kennen.

Er zou vast wel een keer iemand komen die dat begreep. Iemand die een klein beetje geduld met me zou hebben en me gewoon lekker de tijd zou geven om hem of haar te leren kennen en te leren vertrouwen. Iemand ook die snapte dat ik af en toe een momentje voor mezelf nodig had en dat ik er niet altijd zin in had om als lappenpop te worden rondgedragen of me een uur lang te laten kneden, bevoelen en aanraken. Aan die gedachte hield ik me vast. Mijn mensenmatch bestond echt wel en ooit zou hij of zij me hier vinden…


Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen