zondag 2 februari 2014

Het verhaal van een langzitter… Svenja (deel 11)

Het asiel waar ik als vrijwilliger werk heeft een anti-inslaapbeleid. Er worden dus geen dieren ingeslapen alleen omdat ze ‘te bang’ zijn of ‘te lang’ in het asiel zitten. Gelukkig maar. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat we altijd een aantal honden of katten hebben zitten die al heel lang op een warm thuis wachten. Zoals Svenja (onlangs geplaatst!), Diza (onlangs geplaatst!), Pino en Bontje (onlangs geplaatst!). De vier katjes die al meer dan een jaar in het asiel wonen. Echt geen enorm vervelende exemplaren. Integendeel. Het zijn stuk voor stuk lieve katten. Alleen een tikje eigenzinnig misschien. ;-) Maar dat maakt ze naar mijn mening nou juist zo leuk. Waarom ze er dan al zo lang zitten? Geen idee. Echt niet. Gewoon domme pech denk ik soms wel eens. Dus misschien helpt het ze wel als ze zelf hun verhaal kunnen vertellen. Van de periode voor ze in het asiel terecht kwamen, weten we vrijwel niets. Dat deel is dan ook gebaseerd op redelijke aannames en een beetje fantasie. J
Het verhaal van Svenja is representatief voor het verhaal van zovele jonge moeders die tegen wil en dank buiten moeten zien te overleven... De meeste van hen begonnen hun leven als geliefde huiskat, maar zijn op enig moment - om wat voor reden dan ook - op straat beland. Niet gechipt en niet gesteriliseerd...

Het woord is aan Svenja

Svenja is een beeldschone lapjesdame. Ze op 13 augustus 2012 in het asiel terecht gekomen, samen met haar 5 kleintjes. Haar geboortedatum is geschat op 21 augustus 2009. Svenja vertelt zelf haar verhaal.



8 februari 2013. Ik herinner me het moment waarop de verzorg-mevrouw op die vrijdagmiddag onze kamer binnenkwam nog als de dag van gisteren. Ze had een glimlach van oor tot oor. ‘Svenja!’ riep ze ‘Svenja, waar ben je meisje?’ Ik kende die verzorg-mevrouw inmiddels heel goed en als zij me op die manier riep, dan wist ik dat ze iets belangrijks te melden had. Ik kroop uit het holletje van de krabpaal en liep naar haar toe. ‘Svenja, lieverd, je kleine Elvie heeft zojuist eindelijk haar gouden mandje gevonden! Bij hele lieve mensen, zo’n leuk stel. Ik ben helemaal blij! Jij ook hè. Wat een goed nieuws hè meisje?’ Dat was inderdaad heel goed nieuws. Elvie, mijn kleine, lieve schildpadmeisje, had als laatste van de vijf nu ook eindelijk een thuis. Een kleine twee weken daarvoor was de kleine Blacky al vertrokken en nu dus eindelijk ook mijn laatste spruit. Een enorm warm gevoel maakte zich van me meester. Ik voelde een enorme opluchting. Ik dacht terug aan het moment dat ik volkomen onwetend en onverwacht moeder was geworden van die prachtige vijfling. Aan de angst en onzekerheid die ik toen voelde. Aan het plan dat ik had gemaakt. Ik zou alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat mijn vijf baby’s voor de herfst ergens veilig binnen zouden zitten. Ik liet het hele avontuur nog eens de revue passeren. Wat was er veel gebeurd in het afgelopen jaar…

Ik was de weg naar huis kwijt geraakt. Hoe dat had kunnen gebeuren was me nog steeds een raadsel, een zwart gat in mijn geheugen. Ik had maanden buiten overleefd. Zelf voor mijn eten moeten zorgen, zelf een veilige en droge schuilplek moeten regelen, maar ook nieuwe vrienden gemaakt. Ik had Bonzo, Tika, Bandit en Kees leren kennen. Ik was zwanger geraakt en bevallen van vijf prachtige hummels, die volledig van mij afhankelijk waren. Wat was dat een bijzonder gevoel geweest. En ik was een heel aantal keer in aanraking gekomen met de minder aardige kant van mensen. Weggejaagd, uitgescholden, nat gespoten en één keer was er zelfs een hond op me afgestuurd! Dat was echt schrikken geweest. En dan de jagers, die met een geweer en echte kogels in het veld liepen en op zoek waren naar katten. Om neer te schieten! Het had mijn vertrouwen in mensen wel aan het wankelen gemaakt. Ik had gewoon nooit geweten dat er mensen waren die zo’n hekel hadden aan katten. Ik begreep ook niet waarom. Wat deden we zo verkeerd? Gelukkig had mijn intuïtie me niet helemaal in de steek gelaten. Diep van binnen had ik gewoon steeds geweten dat mijn weg uit al die ellende toch bij de mensen lag. Bij de mevrouw van de dikke, witte jongen. Wat een lief mens was dat. Ze was zo verdrietig geweest toen ze ons aan de mannen met de gele jassen had meegegeven. En ze kende ons niet eens. Toen waren we hier terecht gekomen, hadden we weken in een kooi geleefd en waren we uiteindelijk verhuisd naar een grote kamer. Mijn kleintjes naar de ene en ik naar een andere. Dat was niet gemakkelijk geweest. Het was allemaal niet gemakkelijk geweest, alles wat me in het afgelopen jaar was overkomen. Maar nu, nu de verzorg-mevrouw me vertelde dat ook de kleine Elvie een écht thuis had, kon ik eindelijk opgelucht ademhalen. Nu kon ik me eindelijk concentreren op het allerlaatste onderdeel van mijn plan: een thuis voor mezelf.

Maar hoe ging ik dat aanpakken? Luisterde ik naar wat Mober had gezegd? Zou echt niemand me leuk genoeg vinden, gewoon zoals ik was? Vroeger was ik inderdaad anders geweest. Nooit een meegaand schootkatje hoor, ik hield nou eenmaal niet van dat stevige vastpakken en minutenlang stil moeten blijven zitten. Maar ik had het wel heel erg fijn gevonden om gekroeld te worden. Om zacht over mijn bol en onder mijn kin geaaid te worden. En om lekker geborsteld te worden. Vooral als vrouwtje er lieve dingen bij zei. Ik had het ook altijd heel leuk gevonden om samen te spelen. Dan gooide vrouwtje een muisje weg dat aan een elastiek zat en dat probeerde ik dan te vangen. Een nepmuisje dan hè. Dat denk ik tenminste, want het was rood en had hele lange haren. Van echte muisjes hield mijn vrouwtje trouwens ook niet. Dat had ik gemerkt toen ik haar een keer een muis cadeau had gedaan. Ze had heel hard gegild en heel hoog gesprongen. Hihi. Zo grappig. Zou ik ooit weer zo kunnen worden? Weer echt kunnen en vooral durven genieten van de mensen in mijn leven… Ik besloot dat ik het in elk geval moest proberen. De mevrouw van de dikke, witte jongen en mijn verzorg-mevrouwen hier… ze waren allemaal zo lief voor me. Er zouden toch wel meer mensen bestaan die zo waren? Als ik ooit een nieuw thuis wilde vinden, dan zou ik daarop moeten vertrouwen. Een klein beetje van die muur, die ik zo zorgvuldig om me heen had gebouwd, moeten afbreken. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan…

Svenja in maart 2013



Het was inmiddels maanden geleden dat mijn laatste hummel was verhuisd. Volgens de verzorg-mevrouw ging het heel erg goed met Elvie, was ze al heel veel gegroeid en was ze ontzettend gelukkig. Net als de andere kleintjes. Nou ja, kleintjes… Het was nu weer zomer – de tweede trouwens al die ik zonder thuis meemaakte – en mijn baby’s waren dus al bijna een jaar oud. Wat ging de tijd toch snel. Hoe zouden ze eruit zien? Zou Blacky echt net zo groot zijn geworden als Bonzo? En zou Lios nog steeds zo’n dondersteen zijn? Ik moest stiekem lachen toen ik aan al zijn streken terugdacht. Soms mistte ik ze nog wel, maar dat moment duurde nooit lang. Ik wist dat ze nu veilig waren en hun eigen leven leidden. En zo hoorde het ook. Ik wist alleen niet zo goed wat ik van mijn eigen leven moest denken… Zo af en toe kwamen er vreemden mensen speciaal voor mij. Eerst snapte ik niet hoe dat kon, hoe wisten ze nou dat ik hier woonde? Maar Marsha – een van mijn kamergenootjes - had me verteld dat er ergens een of andere doos was, waarmee alle mensen konden zien wie hier allemaal woonden. Hmm, ik vroeg me af hoe dat werkte. Waar stond die doos dan? En wat zat er dan allemaal in die doos? Dat wist Marsha ook niet precies. Ze wist alleen dat er een doos was en dat alle vreemden mensen naar een foto van ons konden kijken. Die zat dus blijkbaar in die doos. Eén van de verzorg-mevrouwen was al een aantal keer bij ons gekomen met een zwart kastje. Dat klikte en soms kwam er ineens een lichtflits uit. In het begin waren we ons rot geschrokken, maar de verzorg-mevrouw had uitgelegd dat ze alleen maar foto’s van ons maakte; een plaatje van ons. En die had ze dus in de doos gestopt zei Marsha. Een paar vreemde mensen hadden dus mijn plaatje gezien en waren toen op bezoek gekomen. Speciaal voor mij. Maar ze hadden me nooit meegenomen. Mijn plaatje was leuk, maar ik blijkbaar niet… Volgens Marsha moest ik het me allemaal niet zo aantrekken. Mensen waren nou eenmaal kieskeurig zei ze. En veeleisend soms. Ze vonden het gewoon niet leuk als je niet naar ze toe kwam als ze je riepen en al helemaal niet als je niet lief was als ze je wilden aaien. Mensen begrepen gewoon niet hoe eng het was als er plots een vreemde voor je neus stond, die veel en veel groter was dan jij en zomaar ineens, zonder waarschuwing, zijn hand naar je uitstak. Maar Marsha en ik begrepen dat wel. We wisten waar die handen toe in staat waren. En dat was niet alleen maar goeds. Marsha zat een beetje hetzelfde in elkaar als ik. Ze was graag op zichzelf, was geen allemansvriendje en een beetje wantrouwend naar mensen. Ze had me nooit willen vertellen hoe ze hier terecht was gekomen en wat ze allemaal had meegemaakt, maar het was vast heel erg geweest. Arme Marsha...

Ik besloot alles eens even goed te laten bezinken en dan een nieuwe strategie te bepalen. Morgen. Nu wilde ik eerst van de zon genieten en een beetje ontspannen. Ik stond op van de krabpaal en liep naar buiten, naar mijn favoriete plekje in de tuin. De zon stond hoog aan de hemel en het was lekker warm. Ik hield van deze tijd van het jaar. Ik ging liggen, rolde op mijn rug en rekte me uit. Heerlijk…


Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen