zondag 15 december 2013

Het verhaal van een langzitter… Svenja (deel 5)

Het asiel waar ik als vrijwilliger werk heeft een anti-inslaapbeleid. Er worden dus geen dieren ingeslapen alleen omdat ze ‘te bang’ zijn of ‘te lang’ in het asiel zitten. Gelukkig maar. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat we altijd een aantal honden of katten hebben zitten die al heel lang op een warm thuis wachten. Zoals Svenja (onlangs geplaatst!), Diza (onlangs geplaatst!), Pino en Bontje. De vier katjes die al meer dan een jaar in het asiel wonen. Echt geen enorm vervelende exemplaren. Integendeel. Het zijn stuk voor stuk lieve katten. Alleen een tikje eigenzinnig misschien. ;-) Maar dat maakt ze naar mijn mening nou juist zo leuk. Waarom ze er dan al zo lang zitten? Geen idee. Echt niet. Gewoon domme pech denk ik soms wel eens. Dus misschien helpt het ze wel als ze zelf hun verhaal kunnen vertellen. Van de periode voor ze in het asiel terecht kwamen, weten we vrijwel niets. Dat deel is dan ook gebaseerd op redelijke aannames en een beetje fantasie. J
Het verhaal van Svenja is representatief voor het verhaal van zovele jonge moeders die tegen wil en dank buiten moeten zien te overleven... De meeste van hen begonnen hun leven als geliefde huiskat, maar zijn op enig moment - om wat voor reden dan ook - op straat beland. Niet gechipt en niet gesteriliseerd... 

Het woord is aan Svenja

Svenja is een beeldschone lapjesdame. Ze op 13 augustus 2012 in het asiel terecht gekomen, samen met haar 5 kleintjes. Haar geboortedatum is geschat op 21 augustus 2009. Svenja vertelt zelf haar verhaal.



De volgende morgen voelde ik me nog niet veel beter. Veel pijn had ik niet, maar wel een heel vervelend gevoel in mijn buik. Het was me een week of twee daarvoor al opgevallen dat mijn buik ook dikker was dan anders. Zelfs Bonzo had er een opmerking over gemaakt, waar ik natuurlijk heel erg boos om was geworden. Ja, logisch. Je zegt nooit tegen een meisje dat ze dikker is geworden! Toch? Sukkel. Maar eerlijk gezegd reageerde hij best lief. Hij zei er meteen bij dat het hem niks uitmaakte en dat ie me nog steeds beeldschoon vond. En dus hadden we het later op de avond weer goed gemaakt. Ik maakte me wel een beetje zorgen, ik kon hier niet ziek worden. Wie moest er dan voor me zorgen? Toen ik nog thuis woonde was ik ook een keer heel erg verkouden geweest. Samen met mijn vrouwtje ben ik toen bij de dokter geweest. Dat was niet leuk, ik vond die man ook helemaal niet aardig. Hij heeft ook nog vieze pillen aan mijn vrouwtje meegegeven, die ik wel bijna twee weken lang heb moeten slikken. Verschrikkelijk! Vrouwtje heeft toen ook mijn favoriete blikvoer gekocht en mijn neus elke dag schoongemaakt. Ik had namelijk helemaal geen zin om te eten en dat vond vrouwtje heel erg. Ze heeft toen echt goed voor me gezorgd… En uiteindelijk ben ik helemaal beter geworden. Dus hoe moest dat nu als ik hier buiten weer zo ziek zou worden? Ik besloot om Tika om raad te gaan vragen. Die kon me vast wel helpen.



Die kans kreeg ik echter niet. Want net toen ik op wilde staan om Tika te zoeken, kreeg ik ineens een vreselijke kramp in mijn buik. Ik slaakte een gil. Zoveel pijn had mijn buik nog niet eerder gedaan. Wat was er in godsnaam aan de hand? Ging ik dood? Ik voelde de paniek opkomen. Een paar tellen laten ebde de pijn echter weer langzaam weg. Pffff. De opluchting was helaas maar van korte duur, want de pijnaanvallen bleven komen… En gedurende de ochtend volgden ze elkaar steeds sneller op. Net toen ik dacht dat ik het echt niet meer aankon, gebeurde er iets… dat zo bizar was… bij de zoveelste aanval van hevige pijn en een enorme drang om te drukken… werd mijn eerste baby geboren… Ik wil er niet te veel over uitweiden. Het was geen prettig tafereel. Alles was nat en vies, bloederig en slijmerig, maar temidden van al die viezigheid… lag een prachtige, piepkleine kattenbaby. Míjn kattenbaby… Ik werd overspoeld door emoties, kreeg een waas voor mijn ogen. Een paar seconden lang… en toen was het alsof zich iets van me meester maakte. Alsof er een knop omging. Om één of andere onverklaarbare reden wist ik precies wat ik moest doen. Rustig blijven, mijn kleintje schoonmaken… Ik draaide op de automatische piloot. 

Nog vier keer maakte ik die middag dezelfde wonderbaarlijke ellende mee. Tot er aan het begin van de avond vijf ieniemienie-katjes stil en tevreden dicht tegen me aangedrukt lagen te slapen. Míjn baby’s… Ik durfde me bijna niet te bewegen. Ze waren zo mooi. Zo perfect. Ik wilde ze niet wakker maken. Ze hadden hun buikje rond gedronken. Ze hadden precies geweten waar ze de melk moesten halen. Hoe was dit toch mogelijk? Ik moest wel hele slimme baby’s hebben gekregen. Heel voorzichtig ging ik een stukje verliggen, zodat ik ze iets beter kon bekijken. In het midden van het hoopje lag een mini-Bonzo; een prachtig pikzwart hummeltje. Een jongetje. Links en rechts van dat kleintje lagen er twee met een schitterend zwart/wit vachtje. Eén daarvan had een piepklein zwart staartje met een schattig wit puntje aan het eind. Het was een meisje. Een schoonheid. Het andere zwart/witje, een jongetje, had zo’n komisch getekend snoetje, dat ik bijna hardop moest lachen. Ik smolt als ik naar hem keek, wat een beeldschoon kereltje. Het verst van me vandaan lag een heel klein rood bolletje. Ook een jongetje wist ik. Een heel mooi manneke, dat later zeker veel meisjesharten ging breken. En dan, het dichtst bij me, het tweede meisje. En wat voor één. Haar vachtje had allemaal verschillende kleurtjes, net als de mijne, maar toch heel anders. Ik was vooral wit, zij vooral zwart. De vorm van haar kleine snoetje leek veel op die van mij. Zij had ook het hardst geschreeuwd toen ze geboren werd. Nu al een grote mond, haha. Dat werd me er eentje hoor. Ik was zo trots op mijn vijftal. Wat een prachtige hummeltjes… Ik was moe en dolgelukkig, maar ook bang. Ik was hun moeder, ik moest voor hun zorgen. Ik was verantwoordelijk voor ze. En dat terwijl ik zelf nauwelijks wist hoe ik hier buiten moest overleven. Er mocht me nu natuurlijk helemaal niks overkomen. Die kleintjes waren volledig op mij aangewezen. Ik kon niet gewond raken of ziek worden of erger… En dan eten. De eerste weken zouden mijn baby’s genoeg hebben aan de melk die ze van me kregen. Maar daarna? Ik zou ze moeten leren om muizen te vangen en om brood te eten… Maar volgens Bonzo was er nauwelijks genoeg voor de katten die hier nu woonden. In de lente en de zomer ging dat nog wel, maar als het koud werd… Ik realiseerde me dat het nu nog veel belangrijker was geworden om snel een thuis te vinden. Maar als me dat al niet lukte voor mij alleen… hoe ging ik dat dan in vredesnaam doen voor ons zessen. Misschien kon de mevrouw van de dikke witte jongen ons wel helpen. Ze was lief. Ik zou ervoor moeten zorgen dat ze mijn baby’s zag. Dan was ze vast meteen helemaal verliefd op ze. Ze waren zó mooi. En dan zou ze ons beslist allemaal in huis nemen. Toch? Ik durfde mijn eigen vraag niet te beantwoorden. Maar ik wist wel dat daar mijn beste kansen lagen. Morgen besloot ik, morgen zou ik een nieuw plan maken. Uitgeput viel ik in een diepe slaap…


Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen