zondag 29 december 2013

Het verhaal van een langzitter… Svenja (deel 7)

Het asiel waar ik als vrijwilliger werk heeft een anti-inslaapbeleid. Er worden dus geen dieren ingeslapen alleen omdat ze ‘te bang’ zijn of ‘te lang’ in het asiel zitten. Gelukkig maar. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat we altijd een aantal honden of katten hebben zitten die al heel lang op een warm thuis wachten. Zoals Svenja (onlangs geplaatst!), Diza (onlangs geplaatst!), Pino en Bontje (onlangs geplaatst!). De vier katjes die al meer dan een jaar in het asiel wonen. Echt geen enorm vervelende exemplaren. Integendeel. Het zijn stuk voor stuk lieve katten. Alleen een tikje eigenzinnig misschien. ;-) Maar dat maakt ze naar mijn mening nou juist zo leuk. Waarom ze er dan al zo lang zitten? Geen idee. Echt niet. Gewoon domme pech denk ik soms wel eens. Dus misschien helpt het ze wel als ze zelf hun verhaal kunnen vertellen. Van de periode voor ze in het asiel terecht kwamen, weten we vrijwel niets. Dat deel is dan ook gebaseerd op redelijke aannames en een beetje fantasie. J
Het verhaal van Svenja is representatief voor het verhaal van zovele jonge moeders die tegen wil en dank buiten moeten zien te overleven... De meeste van hen begonnen hun leven als geliefde huiskat, maar zijn op enig moment - om wat voor reden dan ook - op straat beland. Niet gechipt en niet gesteriliseerd...

Het woord is aan Svenja

Svenja is een beeldschone lapjesdame. Ze op 13 augustus 2012 in het asiel terecht gekomen, samen met haar 5 kleintjes. Haar geboortedatum is geschat op 21 augustus 2009. Svenja vertelt zelf haar verhaal.



Ik weet niet hoe lang we op de kamer hebben gezeten. Op een gegeven moment ben ik zelfs een beetje ingedut. Ik had mijn buikje rond gegeten aan de heerlijke brokjes die mevrouw voor me had gebracht. Wat was dat lang geleden! Ze herinnerden me zo aan thuis… Zou ik vanaf nu weer elke dag lekker eten krijgen? En zou ik me vanaf nu geen zorgen meer hoeven maken over een droge en warme plek om te slapen? Zouden mijn baby’s en ik nu veilig zijn? Er spookten zoveel vragen door mijn hoofd. Ik wist niet goed wat ik moest denken en wat ons te wachten stond. Ik hoopte dat we bij mevrouw mochten blijven. Maar dan had ze er ineens wel zes katten bij. Hmm, dat zou die dikke, witte jongen nooit goed vinden. Die was zo verwend. Maar wat dan? Mevrouw had gezegd dat ze iemand zou bellen, maar ik kon me niet herinneren wie. Waarom zou ze die bellen? Zouden we daar in huis mogen wonen? Ze zouden toch zeker niks engs met ons gaan doen? Ik had daar Bonzo en Tika wel eens over horen praten. Dat mensen katten vingen en dat ze ze nooit meer terugzagen. Dat niemand wist waar ze gebleven waren. Ze zouden ons toch niet aan de jagers geven? De onzekerheid maakte me zenuwachtig en de meest vreselijke scenario’s speelden zich in mijn gedachten af. Wachten… ik was er nooit goed in geweest. Alhoewel ik zeker meer geduld had gekregen sinds mijn kleintjes er waren. Mijn kleintjes… ze hadden goed gegeten en waren nu weer diep in slaap. Zij maakten zich niet druk om de toekomst en daar was ik blij om. Dat hoefden zij ook niet te doen, dat was mijn taak. Pfff, waarom kwam mevrouw nou niet even naar boven om te vertellen wat er ging gebeuren?

Ik dommelde weer weg. Een onrustige slaap. Tot ik wakker schrok van een luid gestommel op de trap en stemmen. Meerdere stemmen, niet alleen die van mevrouw. De deur ging open en mevrouw kwam de kamer binnen. Achter haar stonden twee mannen in grote gele jassen. Ze hadden twee mandjes bij. Ik kende die mandjes. Toen ik thuis een keer ziek was geworden en naar de dokter moest, had vrouwtje me ook in zo’n mandje gestopt. Ojee, we gingen dus ergens heen. Wie waren die mannen? Ze zagen er indrukwekkend uit. Ze maakten me bang. ‘Hier zijn ze dan’ zei mevrouw. ‘Ik had ze zo graag allemaal willen houden, maar dat gaat gewoon niet. Zes stuks, dat kan ik me echt niet veroorloven.’ Haar stem brak een beetje en ik raakte een beetje in paniek. Mevrouw keek zo verdrietig. ‘Ah, komt wel goed met ze’ hoorde ik één van de mannen zeggen ‘we nemen ze mee, dan zitten ze in elk geval binnen. Laten we eerst moeders maar in het mandje zetten en dan die kleintjes in het andere mandje.’ Moeders? Was ik dat? Oh god, oh god, oh god. Ik was in het verste hoekje van de kamer gekropen en maakte me zo klein mogelijk. Mevrouw kwam naar me toe en knielde neer. ‘Het komt wel goed liefje. Ze zorgen daar heel goed voor jou en je baby’s. Je hoeft niet bang te zijn. Misschien komt je baasje je wel halen. Die heeft je vast heel erg gemist. Maar anders krijg je beslist heel snel een nieuw huisje. Zo’n mooi en lief meisje als jij. En die prachtige kindertjes vinden ook zeker een gouden mandje. Oh, kon ik je maar uitleggen dat het in orde is, dat er niks ergs gaat gebeuren’ zuchtte mevrouw. Ze kwam overeind, pakte me op en liep naar de mannen. Ze wilde me in één van de mandjes zetten! Nee! En mijn baby’s dan? Nee! ik schreeuwde uit volle borst, verzette me zo goed als ik kon. Het mocht niet baten… Een paar seconden later zat ik opgesloten in het kleine mandje. Ik keek gelaten toe hoe mijn kleintjes één voor één uit de doos werden gehaald en in het andere mandje werden gestopt. Ze huilden zacht en mijn hart brak voor ze. Ik ben hier, mama is bij jullie, riep ik naar ze. Niet bang zijn baby’s, mama is hier. De mannen namen ons mee de trap af, de gang door en naar buiten. ‘Mag ik morgen even bellen’ vroeg mevrouw ‘om te vragen hoe het met ze gaat?’. ‘Natuurlijk’ zei één van de mannen tegen haar ‘maar maakt u zich geen zorgen, het komt allemaal best in orde.’ ‘Dag liefjes, dag allemaal’ hoorde ik mevrouw roepen net voor we in een grote auto werden gezet en de deur met een harde klap achter ons dichtviel. Dat was het dan, dacht ik. Nu zijn we volledig overgeleverd aan deze vreemde mannen. Mevrouw kon ons niet meer helpen. Ik probeerde rustig te blijven, voor mijn kleintjes. Het mandje waar ze in zaten stond tegen dat van mij en door de gaatjes kon ik een glimp van ze opvangen. Ik sprak zacht tegen ze, om ze gerust te stellen. Maar van binnen bonkte mijn hart als een bezetene. Wat ging er met ons gebeuren?




De rit leek eeuwig te duren. Af en toe stopte de auto, maar dan reed hij vervolgens toch weer door. Eén keer maakte één van de mannen de deur aan de achterkant open en zette hij nog een mandje in de auto. Ook een poesje, iets kleiner dan ik en zwart met wit. En ook zij was heel bang en huilde hartverscheurend. Ik had met haar te doen, maar ik kon haar niet troosten. Ik had mijn handen vol aan mijn vijf baby’s. Hoeveel meer van ons zouden ze nog ophalen? We waren nu al met z’n zevenen. Wie kon er zoveel katjes tegelijk in huis nemen? Ik zuchtte diep en ging verliggen. Mijn kleintjes waren eindelijk een beetje gekalmeerd. Net toen ik dacht dat er echt geen einde aan de autorit ging komen, stopte de auto en werd de deur aan de achterkant weer open gemaakt. De twee mannen pakten de drie mandjes waarin we zaten op en brachten ons naar binnen. ‘Waar moeten ze heen?’ hoorde ik één van de mannen vragen. ‘Moeder en kittens naar het pension. Daar is een bench ingericht. Laat ze maar even hier staan, dan doe ik dat zo wel’ antwoordde een mevrouw die ik niet kende. ‘Die andere mag naar de politieopvang’. Ik begreep niet veel van wat ze zeiden, ik kende al die woorden niet. Wat waren in godsnaam een pension en een bench? De mevrouw klonk best aardig… Zou zij ons allemaal willen houden dan? Plotseling werd mijn mandje opgetild en liepen we naar een andere ruimte. Ik zag dat een andere mevrouw, een jongere, volgde met het mandje waar mijn kleintjes in zaten. Die gingen in elk geval mee. Ik merkte dat ik weer een beetje begon te hyperventileren en maande mezelf tot kalmte. Ik kon nu niet in paniek raken! Ik moest mijn hoofd erbij houden. Als het nodig was, moesten we zien te ontsnappen. Dus ik moest goed kijken waar we heen gebracht werden en waar de uitgang was. Voor het geval dat… Mijn mandje werd op een tafel neergezet. Het mandje met mijn baby’s op de grond. Er stond een grote kooi en de mevrouw die mijn mandje gedragen had maakte de deur open. Toen maakte ze mijn mandje open en zette het in de kooi. Er lag een dikke deken in en er stond een mandje in. En een bak met een soort van zand. Oh ja, mijn toilet. Dat herkende ik nog wel van vroeger thuis. Zou ik het wagen? Ik moest heel even nadenken. ‘Toe maar meisje’ zei de mevrouw. Ik besloot heel voorzichtig uit het mandje te gaan. Eerst alleen met mijn hoofd, ik keek om het hoekje. Naar links, naar rechts. Zette heel langzaam mijn rechtervoorpootje op de deken, toen mijn linker en kwam vervolgens helemaal uit het mandje. ‘Goed zo meisje’ zei de mevrouw ‘en nu je baby’s.’ Eén voor één werden mijn kleintjes in het mandje in de kooi gezet. Ze piepten een beetje, maar ze waren doodop van het hele avontuur. Heel hard protesteerden ze dus niet. Ik keek om me heen. Er stonden nog meer kooien in de ruimte. En daar zaten ook moeders in met baby’s. Over sommige kooien hing een doek, dus daar kon ik niet inkijken. Maar ik hoorde wel geluiden, dus ook die kooien waren bewoond. Wat was dit hier? Waar waren we beland? ‘Hoe oud zouden die kleintjes zijn?’ hoorde ik de jongere mevrouw ineens vragen. ‘Ik denk een week of vier, vijf’ was het antwoord ‘misschien eten ze al wel zelf.’ Een week of vier, vijf… dat klopte wel ongeveer. Knap van die mevrouw zeg. Hoe kon zij dat nou weten? Het deurtje van de kooi ging weer open. Er werd een bakje met brokjes en een bakje water neergezet. Toen nog een bakje met hele kleine brokjes. Die zagen er grappig uit. De brokjes roken ook erg lekker, maar ik was te bang om er iets van te eten. Ik was in de war en doodmoe van alle spanningen. Wat een dag! Ik sprong in het mandje bij mijn kleintjes en ze kropen onmiddellijk heel dicht tegen me aan. Zo vielen we alle vijf in een diepe slaap.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen