zondag 8 december 2013

Het verhaal van een langzitter… Svenja (deel 4)

Het asiel waar ik als vrijwilliger werk heeft een anti-inslaapbeleid. Er worden dus geen dieren ingeslapen alleen omdat ze ‘te bang’ zijn of ‘te lang’ in het asiel zitten. Gelukkig maar. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat we altijd een aantal honden of katten hebben zitten die al heel lang op een warm thuis wachten. Zoals Svenja (inmiddels geplaatst!), Diza (inmiddels geplaatst!), Pino en Bontje. De vier katjes die al meer dan een jaar in het asiel wonen. Echt geen enorm vervelende exemplaren. Integendeel. Het zijn stuk voor stuk lieve katten. Alleen een tikje eigenzinnig misschien. ;-) Maar dat maakt ze naar mijn mening nou juist zo leuk. Waarom ze er dan al zo lang zitten? Geen idee. Echt niet. Gewoon domme pech denk ik soms wel eens. Dus misschien helpt het ze wel als ze zelf hun verhaal kunnen vertellen. Van de periode voor ze in het asiel terecht kwamen, weten we vrijwel niets. Dat deel is dan ook gebaseerd op redelijke aannames en een beetje fantasie. J
 

Het woord is aan Svenja


Svenja is een beeldschone lapjesdame. Ze op 13 augustus 2012 in het asiel terecht gekomen, samen met haar 5 kleintjes. Haar geboortedatum is geschat op 21 augustus 2009. Svenja vertelt zelf haar verhaal.

De weken vlogen voorbij en ik had aardig mijn draai gevonden. Ik wist waar ik de meeste muizen kon vinden en wanneer de mevrouw met de zwarte haren de eendjes ging voeren en er dus wat brood te halen viel. Ik kende nu ook een paar plekjes waar ik me redelijk veilig kon terugtrekken. Redelijk… Ik had inmiddels namelijk ook geleerd om altijd ‘met één oog open’ te slapen, zoals Bonzo het zei. ‘Je moet altijd alert zijn meisje.’ Dat viel me nog het zwaarste van alles. Je nooit volledig over kunnen geven, nooit 100% kunnen ontspannen. Het gevaar loert in elk hoekje. Nog zo’n wijsheid van Bonzo. Pfff. Ik had inmiddels zoveel wijsheden te horen gekregen dat mijn hoofd er van tolde. Nooit geweten dat je als straatkat zoveel moest kennen en kunnen. Toch had ik het al met al best naar mijn zin. Al bleef het verlangen naar een eigen huis knagen… Ik had ook al een plan bedacht. Ik zou in de buurt van de huizen blijven en proberen de mensen een beetje te leren kennen. Als ik het gevoel had dat ik ze kon vertrouwen, dan zou ik me laten zien. Iedere dag weer. En dan zou er uiteindelijk vanzelf wel iemand zijn die zich over mij zou ontfermen. Naïef volgens Tika en gevaarlijk volgens Bonzo, maar het was míjn plan en ik was vastbesloten om het uit te voeren. Ik had zelfs al een voorzichtig begin gemaakt. Niet helemaal een succes, want ik was al twee keer weggejaagd. Eén keer had de meneer van het grote witte huis zijn hond op me afgestuurd en één keer had de mevrouw van het huis met de rode deur me natgespoten met de tuinslang. Dat van die hond had ik maar niet tegen Bonzo en Tika verteld. Die zouden toch alleen maar ‘zei ik toch’ of ‘ik heb je toch gewaarschuwd’ hebben gezegd. Het voorval met de tuinslang had ik niet kunnen verbergen. Ik was namelijk drijfnat toen ik Bonzo tegenkwam. ‘Je lijkt wel een verzopen kat!’ riep hij meteen. Ik zei eerst nog dat ik in de vijver was gevallen toen ik wat brood probeerde te pakken, maar daar trapte hij natuurlijk niet in. Dus heb ik hem uiteindelijk maar de waarheid verteld. Met tegenzin. Want hij reageerde precies zoals ik had verwacht. ‘Mensen zijn niet te vertrouwen. Je bent gevaarlijk bezig meisje. Je moet echt meer gaan opletten als je hier buiten wilt overleven’ enzovoort enzovoort. Ik hoorde hem gelaten aan. Een klein beetje had hij wel gelijk, maar ik wist uit ervaring dat er ook echt wel lieve mensen waren. Mensen die van je hielden en die voor je zorgden. Hij geloofde daar niet in. Ik wel. Het was een voortdurend twistpunt tussen ons en dat had ik inmiddels maar geaccepteerd. Ik liet hem dus maar uitrazen en reageerde niet. Waardoor hij natuurlijk alleen maar bozer werd. ‘Luister je wel? Hoor je wel wat ik zeg?’ riep hij. Jemig, mannen… Vermoeiende wezens soms hoor. Toch konden we het wel goed vinden samen. We hadden ook al een paar keer samen in het holletje geslapen. Lekker dicht tegen elkaar aan. Volgens mij vond hij me dus echt wel heel leuk. Maar over dat ene punt konden we het gewoon maar niet eens worden…


Het was aan het begin van de middag en voor de zoveelste keer zat ik verscholen achter een grote bloempot in de tuin van het huis met de blauwe gordijnen. Ik wist dat er een mevrouw woonde. Ik had haar al een paar keer gezien, als ze in de tuin bezig was of weg was geweest en thuis kwam. Ik wist ook dat er in dat huis nog minstens één andere kat woonde. Een witte. Een jongen was het. Hij lag altijd op de vensterbank achter het raam. En een keer of twee had ik een soort van zwarte pluim gezien, die net boven de vensterbank uitstak. Misschien nog een kat? Ik wist het niet en ik durfde niet dichter naar het raam toe te gaan om goed te kijken. De witte jongen was dikkig en erg lui. Hij sliep het grootste deel van de dag. De dommerik. Er was buiten zoveel te beleven! Maar stiekem was ik gewoon jaloers… Dat wilde ik ook. Ik wilde ook mijn eigen, veilige vensterbank... De mevrouw leek me erg aardig. Ze praatte altijd door het raam tegen de witte jongen. ‘Dag grote jongen. Dag lieverd.’ zei ze altijd. Ze klonk lief. Eén keer had ze mij ook gezien. ‘Hey, wie hebben we daar?’ hoorde ik haar nog net zeggen. Maar ik was er heel snel vandoor gegaan. Drie dagen eerder had ik mijn aanvaring met de tuinslang gehad en ik nam even geen enkel risico meer. Bonzo zou trots op me zijn geweest. ;-) De mevrouw was mijn huidige nummer 1. In gedachten had ik een top drie gemaakt van de mensen die me het meest geschikt leken. Het meest geschikt… Alsof ik het voor het uitkiezen had… Nou ja, van de mensen waarbij ik een kans dacht te kunnen maken dan. Een kans op een thuis. Ik had al best veel huizen gezien en hun bewoners goed in de gaten gehouden. De mevrouw van de dikke witte jongen stond zonder twijfel op 1. De meneer die aan het einde van deze straat woonde, in het huis met de grote bomen in de tuin, stond op 2. Hij was altijd aan het fluiten en neuriën als hij naar buiten kwam. Hij was altijd vrolijk. En één keer had ik hem ‘hallo knappe kerel’ horen roepen tegen Joris, een kater die hier in de buurt woonde. Dus waarschijnlijk vond hij katten wel leuk… De nummer 3 was lastiger… Ik neigde naar de mevrouw die aan de andere kant van de vijver woonde. Ze was best aardig. Alleen had ze twee kleine kinderen en dat vond ik net iets minder. Die renden en schreeuwden… En die trokken aan je staart en je oren… zoals het kleine neefje van mijn vorige vrouwtje. En als ik dan boos werd, deed mijn vrouwtje altijd heel lelijk tegen míj. Ik snapte daar niks van. Waren er echt katten die dat accepteerden dan? Dus misschien toch maar een andere nummer 3. Er was ook nog dat jonge stelletje. Zij was heel lief. Hij was een beetje chagrijnig vond ik. Maar ja, één van de twee is niet slecht toch. Alleen… ze hadden een hond. Een kleintje dat wel. Maar toch. Hmm, lastig… De nummer 3 moest dan nog maar even wachten. Ik zou me eerst concentreren op mijn favoriete twee en als dat niks zou worden, kon ik nog altijd een nummer 3 kiezen. Maar de mevrouw van de dikke witte jongen… die stond toch echt op 1. Die was echt ontzettend lief. Ze had een zachte stem en als ze met de witte jongen praatte, leek het een beetje alsof ze aan het zingen was. Ik wilde dat ze zo ook tegen mij zou praten. ‘Dag meisje van me. Heb je lekker geslapen? Kom je eten? Ik heb je lievelingsbrokjes klaar gezet.’ Plotseling werden mijn dagdromen ruw verstoord door een stekende pijn in mijn buik. Ai, wat was dat nou weer? Ik had gisteren ook al zo’n raar gevoel in mijn buik gehad. Alsof iets van binnen aan het stompen was. Zo raar. Volgens Bonzo had ik waarschijnlijk gewoon iets verkeerds gegeten. Misschien was die ene muis een beetje ziek geweest? Of was het brood bij de vijver een beetje bedorven geweest? Oef. Weer een steek. Ik kon maar beter naar mijn holletje gaan. Even gaan liggen. Dan zou het daarna beslist weer beter gaan.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen